Biologie, Dieren & Milieu

Krijgt jouw kweekzalm kippenresten te eten? Op het etiket vind je het niet

Grote zalmkwekers gebruiken verwerkte pluimveebijproducten in hun voer. Dit is toegestaan, maar op het etiket in de Nederlandse supermarkt kun je het meestal niet zien.

Uitlegartikel Onderzoekscheck Oorspronkelijke bron
  1. Bron
  2. Onderzoekscheck
  3. Nederlandse context
In dit artikel
Zalmfilet naast een kom met visvoerkorrels in een moderne visverwerkingsruimte
Kweekzalm kan voer krijgen waarin verwerkte pluimveebijproducten zijn gebruikt.Beeld: AI-gegenereerde redactionele illustratie, Feitvast

De zalm in het koelvak kan voer hebben gekregen waarin verwerkte resten uit de pluimveesector zitten. Grote Noorse kwekers zoeken naar alternatieven voor steeds duurder vismeel. Lerøy gebruikt inmiddels pluimveebijproducten in het voer voor zijn zalm, terwijl andere bedrijven ermee testen of een overstap onderzoeken.

Dat klinkt voor veel consumenten vreemder dan het technisch is. Het gaat niet om herkenbare stukjes kip die bij de zalm worden gegooid. De grondstof wordt verwerkt tot eiwitrijk meel of vet en daarna in visvoer gebruikt. Toch blijft er een belangrijke vraag over: kun je als Nederlandse koper zien wat jouw kweekzalm heeft gegeten? Het korte antwoord is meestal nee.

Wat zit er precies in dat voer?

De sector spreekt over pluimveebijproducten. Dat zijn delen van geslachte dieren die niet of nauwelijks voor menselijke voeding worden gebruikt, maar wel als grondstof mogen worden verwerkt. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit deelt zulke bruikbare resten in als categorie 3-materiaal. Onder voorwaarden mag dit materiaal tot diervoedergrondstof worden verwerkt.

De populaire term kippenresten is dus begrijpelijk, maar ook grof. Het kan gaan om een verwerkte combinatie van eiwit en vet uit de pluimveeketen. Het eindproduct ziet eruit als meel of wordt verwerkt in kleine voerkorrels. Bedrijven die ermee werken, moeten voldoen aan regels voor verwerking, scheiding, vervoer en traceerbaarheid.

Waarom stappen kwekers hierop over?

Zalmvoer bevat al lang niet meer alleen vismeel en visolie. Producenten gebruiken ook onder meer soja, tarwe, koolzaadolie en algen. Vismeel is duur en de beschikbare hoeveelheid is beperkt. Voor extra productie zijn wilde vissen nodig die ook een rol spelen in het zee-ecosysteem of rechtstreeks als voedsel kunnen dienen.

Pluimveebijproducten bieden de kwekers drie voordelen:

  1. ze bevatten veel eiwit;
  2. ze zijn goedkoper dan vismeel;
  3. ze geven een reststroom uit de voedselketen een nieuwe bestemming.

Lerøy maakte in februari 2025 bekend pluimveebijproducten samen met voerleverancier EWOS te gaan gebruiken. Het bedrijf stelt dat de klimaatvoetafdruk van zijn voer daardoor tot 16 procent kan dalen. Dat is een berekening van het bedrijf en de leverancier, geen onafhankelijke garantie voor iedere zalm of iedere partij voer.

Niet iedere Europese zalm krijgt dit voer

De eerste Nederlandse berichten wekken gemakkelijk de indruk dat de grootste zalmkwekers allemaal al zijn overgestapt. De werkelijkheid is minder duidelijk.

Lerøy bevestigt op zijn eigen website dat het pluimveebijproducten gebruikt. Over Mowi verschenen berichten dat het bedrijf de grondstof ook in Noorwegen en Schotland zou willen invoeren. Een officieel prospectus van Mowi uit april 2026 noemt het gebruik echter alleen voor Chili en Canada. De Schotse brancheorganisatie Salmon Scotland liet op 16 oktober bovendien weten dat Schotse kwekers op dat moment geen pluimveeeiwit in hun voer gebruikten.

Daarom is het te vroeg om te zeggen dat alle Noorse of Schotse kweekzalm kippenresten eet. Het hangt af van het bedrijf, de kwekerij, de voerleverancier en mogelijk zelfs van de productieronde.

Is de zalm daardoor minder gezond?

Er is geen aanwijzing dat goedgekeurde pluimveebijproducten automatisch onveilig zijn voor mensen die de zalm eten. Europese regels staan verwerkte eiwitten van niet-herkauwers al sinds 2013 toe in voer voor aquacultuurdieren, mits aan strenge voorwaarden voor productie en scheiding wordt voldaan.

Een in 2025 gepubliceerde praktijkstudie volgde 435.000 Atlantische zalmen gedurende elf maanden. In twee proefvoeders werd 5 of 10 procent van het gebruikelijke eiwit vervangen door pluimveebijproductmeel. De onderzoekers vonden geen verschil in groei, sterfte, darmweefsel, stevigheid, kleur of vetzuursamenstelling van de filet.

Dat resultaat is geruststellend, maar niet onbeperkt toepasbaar. Het onderzoek testte specifieke voeders en maximaal 10 procent vervanging. Eerder onderzoek laat zien dat de kwaliteit en verteerbaarheid van pluimveemeel kunnen verschillen door de versheid van de grondstof en de verwerkingstemperatuur. De conclusie is dus niet dat iedere mogelijke hoeveelheid of iedere leverancier hetzelfde resultaat geeft.

Verandert er iets aan omega 3?

De eiwitbron en de vetbron in visvoer zijn niet hetzelfde. Pluimveemeel kan een deel van het eiwit vervangen, terwijl de hoeveelheid omega 3 vooral afhangt van visolie, algenolie en andere vetten in het totale voer.

In de grote praktijkstudie veranderde de vetzuursamenstelling van de filet niet aantoonbaar. Dat bewijst niet dat dit bij elk commercieel voer zo blijft. Een kweker kan meerdere ingrediënten tegelijk aanpassen. Wie de voedingswaarde van twee verpakkingen wil vergelijken, heeft daarom meer aan de voedingswaardetabel dan aan aannames over één voergrondstof.

Waarom staat dit niet op het etiket?

Op een verpakking verse of diepgevroren vis moet onder meer staan om welke vissoort het gaat, of de vis wild is gevangen of gekweekt en uit welk gebied hij komt. Het etiket van de zalm hoeft echter niet te vermelden welke ingrediënten de vis tijdens de kweek heeft gegeten.

Voor het diervoeder zelf gelden wel regels over samenstelling en traceerbaarheid. Die informatie is bedoeld voor bedrijven in de keten en staat niet automatisch op de consumentenverpakking in de supermarkt. Daardoor kun je aan een gewoon zalmetiket meestal niet zien of het voer vismeel, soja, algen of pluimveebijproducten bevatte.

Ook een duurzaamheidslogo geeft niet zonder meer antwoord op deze specifieke vraag. De standaarden kunnen eisen stellen aan de herkomst en duurzaamheid van voer, maar consumenten moeten de concrete voorwaarden van het keurmerk of de leverancier controleren als zij dierlijke bijproducten willen vermijden.

Wat kun je als Nederlandse koper doen?

Wie wil weten wat zijn kweekzalm heeft gegeten, kan het volgende proberen:

  • controleer de naam van de producent of leverancier op de verpakking;
  • zoek op de website van het merk naar het voer- of duurzaamheidsbeleid;
  • vraag de supermarkt of leverancier expliciet of pluimveebijproducten in het voer worden gebruikt;
  • vertrouw niet alleen op woorden als natuurlijk of duurzaam zonder uitleg over het voer;
  • vergelijk de voedingswaardetabel wanneer omega 3 of vetgehalte voor jou belangrijk is.

Zonder een expliciete verklaring van de producent kun je niet met zekerheid vaststellen welk voer een specifieke zalm kreeg. Dat is precies de informatiekloof die in de meeste eerste nieuwsberichten ontbreekt.

Circulair voordeel, maar ook een vertrouwensvraag

Het gebruik van pluimveebijproducten kan verspilling verminderen en de afhankelijkheid van wilde vis verkleinen. Tegelijk profiteert de kweker van een goedkopere eiwitbron. Beide zaken kunnen waar zijn: een ingrediënt kan economisch aantrekkelijk én circulair zijn.

De grootste zwakke plek is daarom niet direct de voedselveiligheid, maar de transparantie. Consumenten zien op de verpakking wel waar de zalm is gekweekt, maar niet welke grote veranderingen in het voer hebben plaatsgevonden. Wie maatschappelijk draagvlak wil voor deze circulaire stap, zal duidelijker moeten uitleggen wat er wordt gebruikt, waarom dat gebeurt en welke controles gelden.

Wat weten we nog niet?

Niet bekend is welke Nederlandse supermarkten op dit moment zalm verkopen die met pluimveebijproducten is gevoerd. Ook is nog niet officieel bevestigd of en wanneer Mowi de grondstof in Noorwegen of Schotland gaat gebruiken. De klimaatwinst van 16 procent is een claim van Lerøy voor zijn eigen voerketen en kan niet automatisch op alle producenten worden toegepast.

De kern staat wel vast: deze voergrondstof is toegestaan, Lerøy gebruikt haar al en een grote praktijkstudie vond bij maximaal 10 procent eiwitvervanging geen verslechtering van groei of filetkwaliteit. Maar als Nederlandse consument kun je die keuze doorgaans niet op het zalmetiket terugvinden.

Bronnen

Onderzoekscheck

Zo weten we dit

Uitlegartikel

Bekijk de methode, beperkingen en oorspronkelijke bron achter dit verhaal.

Volledige onderzoekscheck 8 onderdelen
Onderzoeksopzet
Praktijkproef met drie voeders onder omstandigheden die commerciële zalmkweek benaderen
Steekproef of materiaal
435.000 Atlantische zalmen, elf maanden gevolgd
Vakblad of publicatie
Aquaculture Reports, volume 42, 2025
Onderzoeksinstelling
Noorse Universiteit voor Levenswetenschappen (NMBU), Noors Veterinair Instituut en Eide Family AS
Financiering
Eide Fjordbruk AS en de Onderzoeksraad van Noorwegen (project 329442)
Belangenverklaring
De auteurs verklaarden geen belangenconflict. De studie werd mede gefinancierd door zalmkweker Eide Fjordbruk AS.

Belangrijkste beperking

De studie testte specifieke voeders en maximaal 10 procent eiwitvervanging. De kwaliteit van pluimveebijproducten kan per leverancier en verwerkingsmethode verschillen.

Wat dit niet bewijst

De resultaten bewijzen niet dat iedere hoeveelheid, ieder voer of iedere commerciële zalm dezelfde samenstelling en kwaliteit heeft.

Nederlandse context

Wat betekent dit voor Nederland?

Nederlandse consumenten kunnen op een standaard zalmetiket doorgaans niet zien welke voergrondstoffen tijdens de kweek zijn gebruikt.

Transparantie

Updates en correcties

Bij dit artikel zijn geen inhoudelijke correcties of wetenschappelijke updates geregistreerd.

Zie je een fout of ontbreekt er context? Bekijk hoe we corrigeren.