Onderzoekscheck
Zo weten we dit
Bekijk de methode, beperkingen en oorspronkelijke bron achter dit verhaal.
Volledige onderzoekscheck 9 onderdelen
- Onderzoeksopzet
- Herhaald landelijk vragenlijstonderzoek in het najaar van 2025, met gewogen trendvergelijkingen met eerdere HBSC-metingen; anonieme zelfrapportage in de klas.
- Steekproef of materiaal
- 1.510 leerlingen uit groep 8 van 67 reguliere basisscholen en 5.103 leerlingen van 12 tot en met 16 jaar uit 57 reguliere scholen voor voortgezet onderwijs.
- Vakblad of publicatie
- HBSC 2025: Gezondheid en welzijn van jongeren in Nederland, 21 september 2026
- Onderzoeksinstelling
- Trimbos-instituut en Universiteit Utrecht
- Financiering
- Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport financiert het Nederlandse HBSC-onderzoek.
- Belangenverklaring
- In het openbare rapport is geen afzonderlijke verklaring over belangenconflicten aangetroffen.
Belangrijkste beperking
Het onderzoek berust op zelfrapportage en omvat regulier onderwijs; de lage schoolrespons en de beperkte vertegenwoordiging van oudere jongeren buiten het voortgezet onderwijs vragen om voorzichtigheid bij veralgemenisering.
Wat dit niet bewijst
De cijfers tonen een ontwikkeling in gerapporteerde houdingen, maar bewijzen niet waardoor die is ontstaan, wie daarvoor verantwoordelijk is of hoe individuele jongeren denken.
Hoe veilig voelt het voor een leerling om op school open te zijn over homoseksualiteit? Het antwoord hangt niet alleen af van regels, maar ook van de houding in de klas. Juist daar laat het nieuwe Nederlandse HBSC-onderzoek een duidelijke verslechtering zien.
Tussen 2021 en 2025 daalde onder jongens in het voortgezet onderwijs het aandeel met een positieve houding tegenover homoseksualiteit van 40,3 naar 22,3 procent. Bij meisjes ging het van 78,1 naar 51,3 procent. De daling is statistisch significant, melden onderzoekers van het Trimbos-instituut en de Universiteit Utrecht.
Een landelijke meting onder scholieren
HBSC staat voor Health Behaviour in School-aged Children. Voor de Nederlandse editie van 2025 vulden leerlingen anoniem een vragenlijst in de klas in. De analyses voor het voortgezet onderwijs omvatten 5.103 leerlingen van 12 tot en met 16 jaar op 57 reguliere scholen. Daarnaast deden 1.510 leerlingen uit groep 8 van 67 basisscholen mee.
De onderzoekers combineerden antwoorden op drie stellingen tot een schaal voor een positieve houding tegenover homoseksualiteit. In 2025 voldeed 36,5 procent van alle onderzochte leerlingen in het voortgezet onderwijs aan die maat. Ook een tweede uitkomst ging achteruit: het aandeel dat denkt dat homoseksuele en lesbische leerlingen daar open over kunnen zijn, daalde tussen 2021 en 2025 van ongeveer 60 naar 45 procent.
Die cijfers beschrijven groepsgemiddelden. Ze zeggen niet dat iedere jongen of ieder meisje op dezelfde manier denkt, en ze meten gerapporteerde opvattingen op het moment van invullen.
De vragenlijst toont geen oorzaak
Het onderzoek is geschikt om ontwikkelingen door de tijd te volgen, maar niet om vast te stellen waardoor de verandering is ontstaan. Er is geen experiment uitgevoerd en de onderzoekers hebben geen mogelijke maatschappelijke invloed als oorzaak kunnen aanwijzen.
Daarom rechtvaardigen de resultaten geen schuldtoewijzing aan een bevolkingsgroep, politieke stroming, religie, schooltype of online platform. Zulke verklaringen zouden verder onderzoek vereisen. Het rapport merkt bovendien op dat de daling zowel onder jongeren met als zonder migratieachtergrond zichtbaar is; ook dat gegeven verklaart de trend niet.
Zo zijn de cijfers gewogen
De gegevens zijn verzameld van oktober tot half december 2025. Bij de analyses voor het voortgezet onderwijs is gewogen voor onder meer geslacht, leerjaar, schoolniveau en stedelijkheid. De onderzoekers hielden er statistisch rekening mee dat leerlingen binnen dezelfde school op elkaar kunnen lijken.
Er zijn ook beperkingen. Slechts een deel van de benaderde scholen nam deel. Het onderzoek omvat regulier onderwijs en bereikt dus niet alle jongeren, bijvoorbeeld schoolverlaters en leerlingen in het speciaal onderwijs. Zestienjarigen zijn evenmin volledig representatief voor alle Nederlandse leeftijdsgenoten, omdat een deel al naar het mbo is doorgestroomd. Ten slotte kan zelfrapportage worden beïnvloed door wat leerlingen denken dat sociaal aanvaardbaar is.
Waarom dit in Nederland telt
HBSC levert landelijke cijfers voor jeugdgezondheid, preventie en schoolbeleid. De uitkomst over openheid raakt direct aan de sociale veiligheid van lhbtiq+ leerlingen, maar het rapport meet niet zelf welke beleidsmaatregel de trend zou kunnen keren.
De praktische waarde zit daarom eerst in signalering: scholen, onderzoekers en beleidsmakers beschikken over een nieuwe landelijke nulmeting voor vervolgonderzoek en beleid. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport financiert het Nederlandse HBSC-onderzoek. In het rapport staat geen afzonderlijke verklaring over belangenconflicten.
De eerstvolgende stap is niet het invullen van een verklaring, maar het nauwkeuriger onderzoeken van de omstandigheden achter de daling en van de ervaringen van jongeren die in deze cijfers niet of beperkt zichtbaar zijn.
Bronnen
Nederlandse context
Wat betekent dit voor Nederland?
Het HBSC 2025-onderzoek is uitgevoerd onder scholieren in Nederland en levert landelijke cijfers voor Nederlands jeugd- en preventiebeleid.
Transparantie
Updates en correcties
Zie je een fout of ontbreekt er context? Bekijk hoe we corrigeren.
