Onderzoekscheck
Zo weten we dit
Bekijk de methode, beperkingen en oorspronkelijke bron achter dit verhaal.
Volledige onderzoekscheck 9 onderdelen
- Onderzoeksopzet
- Deskresearch, een internationale vergelijking van doorgroei en interviews met negen technologie-ondernemers en acht Nederlandse ecosysteempartijen.
- Steekproef of materiaal
- Negen ondernemers en acht stakeholders; de geïnterviewde ondernemingen maakten deel uit van het NXTGEN Hightech-programma. Daarnaast gebruikte TNO internationale bedrijfs- en financieringscijfers.
- Vakblad of publicatie
- TNO-rapport TNO-2026-17904, 39 pagina's, 24 augustus 2026; TNO-nieuwsbericht van 28 september 2026.
- Onderzoeksinstelling
- TNO
- Financiering
- Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Stichting NXTGEN Hightech binnen het project NXTGEN Hightech Ecosystem Fase 2.
- Belangenverklaring
- Een afzonderlijke belangenverklaring is niet opgenomen. De opdrachtgever en de betrokkenheid van ondernemingen uit het NXTGEN Hightech-programma zijn wel vermeld en beperken de representativiteit.
Belangrijkste beperking
De interviewgroep is klein en programmagebonden. Internationale percentages hangen af van databronnen en definities, en het rapport toont niet dat één knelpunt bij elk bedrijf de doorgroei veroorzaakt.
Wat dit niet bewijst
Niet bewezen dat alle Nederlandse tech-start-ups om dezelfde redenen vastlopen, dat Nederland iedere internationale achterstand door één beleidsmaatregel kan inlopen of dat de voorgestelde maatregelen automatisch meer succesvolle scale-ups opleveren.
Nederlandse technologie-start-ups groeien minder vaak door tot een groot bedrijf dan vergelijkbare ondernemingen in de Verenigde Staten. Volgens een nieuw openbaar TNO-rapport lopen ze niet tegen één muur aan, maar tegen een combinatie van financiering, personeel, testfaciliteiten, productieruimte, vergunningen en een vol stroomnet. Ook binnen het bedrijf kan de overgang van uitvinden naar produceren en verkopen vastlopen. Dat patroon geldt niet automatisch voor iedere onderneming.
TNO vergelijkt in het rapport de ontwikkeling van Nederlandse technologiebedrijven met die in onder meer Europa, de Verenigde Staten en Azië. Van de Nederlandse start-ups bereikt volgens de gebruikte cijfers 21,6 procent de scale-upfase. Voor Europa noemt TNO 24,1 procent en voor de Verenigde Staten 52,2 procent. Bij de stap van een Series A- naar een Series B-financieringsronde binnen drie jaar is het verschil eveneens zichtbaar: 24 procent in Nederland tegenover 39 procent in de Verenigde Staten.
Van uitvinding naar fabriek
Een veelbelovende technologie is nog geen schaalbaar product. Een bedrijf dat honderden of duizenden exemplaren wil maken, heeft andere mensen, processen en machines nodig dan een klein onderzoeksteam. De organisatie moet tegelijk leren produceren, verkopen, leidinggeven en nieuwe klanten vinden.
Daar komen praktische obstakels bij. Een pilotinstallatie of testlocatie kan schaars zijn. Voor een nieuwe fabriek zijn ruimte, vergunningen en een zware stroomaansluiting nodig. Als één schakel jaren kost, kan een onderneming marktkansen missen terwijl salarissen en ontwikkelkosten doorlopen.
Het TNO-nieuwsbericht van 28 september noemt voorbeelden van bedrijven die problemen melden met netcapaciteit, regelgeving of marktintroductie. Dat zijn ervaringen van betrokken ondernemingen. Ze bewijzen niet dat iedere Nederlandse start-up hetzelfde pad volgt of dat één instantie de vertraging veroorzaakt.
Geld is meer dan een grote investeringsronde
Het rapport beschrijft ook een financieringskloof. Amerikaanse technologiebedrijven halen volgens de internationale vergelijking vaker sneller een volgende ronde op. Toch is de conclusie niet simpelweg dat Nederlandse investeerders te weinig geld bieden. Voor kapitaalintensieve deeptech kan een lange ontwikkeltijd botsen met het tempo en risico dat een investeerder accepteert. Ondernemers en financiers kijken bovendien verschillend naar de kwaliteit van plannen en teams.
TNO schrijft expliciet dat causale uitspraken hierover lastig zijn. De cijfers laten een verschil zien, maar bewijzen niet welke afzonderlijke factor dat verschil veroorzaakt. De interviews geven context, geen landelijke volkstelling van start-ups.
Hoe stevig is de onderbouwing?
De onderzoekers combineerden deskresearch en internationale bedrijfsgegevens met gesprekken met negen ondernemers en acht partijen uit het Nederlandse innovatie-ecosysteem. Alle geïnterviewde ondernemingen waren betrokken bij NXTGEN Hightech. Daardoor biedt het onderzoek veel detail over hightechbedrijven met grote investeringsbehoeften, maar is de groep niet representatief voor iedere software-start-up of jonge onderneming.
Het rapport is uitgevoerd in opdracht van Stichting NXTGEN Hightech. Een afzonderlijke belangenverklaring ontbreekt. Dat maakt de financiering niet verdacht, maar is wel relevante context bij een rapport dat ook aanbevelingen doet voor overheid, investeerders en organisaties rond start-ups.
Waarom dit voor Nederland telt
Voor Nederland gaat het om meer dan het succes van enkele oprichters. Deeptechbedrijven kunnen kennis uit universiteiten en onderzoeksinstellingen omzetten in productie, banen en nieuwe technieken. Wanneer de productie uiteindelijk elders terechtkomt, levert Nederlands onderzoek mogelijk minder economische en strategische waarde in eigen land op.
TNO pleit daarom onder meer voor beter afgestemde financiering, toegang tot faciliteiten en snellere samenwerking rond ruimte, vergunningen en energie. Of die maatregelen het verschil echt verkleinen, moet nog blijken. Het rapport brengt vooral in kaart waar ondernemers en betrokken organisaties de overgang van start-up naar scale-up nu zien haperen.
Nederlandse context
Wat betekent dit voor Nederland?
Het rapport onderzoekt Nederlandse hightech-start-ups en het Nederlandse groeiklimaat. De genoemde knelpunten raken ondernemingen, investeerders, overheden en kennisinstellingen in Nederland rechtstreeks.
Transparantie
Updates en correcties
Zie je een fout of ontbreekt er context? Bekijk hoe we corrigeren.
