Onderzoekscheck
Zo weten we dit
Bekijk de methode, beperkingen en oorspronkelijke bron achter dit verhaal.
Volledige onderzoekscheck 9 onderdelen
- Onderzoeksopzet
- Cross-sectionele en tweejarige longitudinale analyses van gegevens uit de Amerikaanse Adolescent Brain Cognitive Development-studie; smartphonebezit op twaalfjarige leeftijd vergeleken met zelfgerapporteerde symptomen op twaalf en veertien jaar, met statistische correcties voor gemeten achtergrondkenmerken.
- Steekproef of materiaal
- 8.957 Amerikaanse jongeren uit 21 onderzoekslocaties; 6.225 (69,5%) hadden op twaalfjarige leeftijd een eigen smartphone.
- Vakblad of publicatie
- JAMA Network Open, online gepubliceerd op 25 september 2026; 9(9):e2637897.
- Onderzoeksinstelling
- Onderzoekers onder leiding van University of California, San Francisco, met mede-auteurs van andere Amerikaanse en internationale instellingen.
- Financiering
- Financiering door de Amerikaanse National Institutes of Health en federale partners via de ABCD-studie; de auteurs melden dat financiers geen rol hadden in uitvoering of publicatiebesluit.
- Belangenverklaring
- De auteurs rapporteerden geen belangenconflicten.
Belangrijkste beperking
Observationeel onderzoek met door jongeren gerapporteerde symptomen en ouderrapportage van smartphonebezit. Niet alle beïnvloedende factoren zijn gemeten; omgekeerde richting blijft mogelijk. De studie mat niet welke inhoud jongeren op hun telefoon bekeken of hoe zij die gebruikten en onderzocht geen Nederlandse populatie.
Wat dit niet bewijst
Niet aangetoond dat een smartphone eetproblemen veroorzaakt, dat uitstel van een telefoon die problemen voorkomt, of dat deelnemers een eetstoornisdiagnose hadden. Geen individuele medische conclusie of wijziging van Nederlandse zorgadviezen.
Wanneer krijgt een kind een eigen smartphone? Veel ouders herkennen die vraag, maar een nieuw onderzoek geeft er geen eenvoudig medisch antwoord op. In een grote Amerikaanse studie meldden jongeren die op hun twaalfde een smartphone hadden twee jaar later vaker klachten rond eten en hun gewicht dan leeftijdgenoten zonder eigen toestel. Dat is een verband, geen bewijs dat de telefoon de klachten veroorzaakte.
Onderzoekers analyseerden gegevens van 8.957 jongeren uit de Amerikaanse Adolescent Brain Cognitive Development-studie. Van hen hadden 6.225 jongeren, ongeveer zeven op de tien, op twaalfjarige leeftijd een eigen smartphone. De onderzoekers vergeleken hun antwoorden op die leeftijd en op veertienjarige leeftijd met die van jongeren zonder smartphone.
Welke klachten werden gemeten?
Het ging niet om vastgestelde diagnoses van eetstoornissen. Jongeren antwoordden op vragen over onder meer eetbuien, gedrag om gewichtstoename te voorkomen, zorgen over aankomen en het laten afhangen van hun eigenwaarde van hun gewicht. De onderzoekers keken of ten minste één van deze symptomen aanwezig was.
Op veertienjarige leeftijd meldde 24,2 procent van de jongeren die op hun twaalfde een smartphone hadden zo’n symptoom. Onder jongeren die toen geen eigen smartphone hadden, was dat 15,5 procent. De groepen waren niet even groot; de percentages zijn bovendien gewogen voor de opzet van het Amerikaanse onderzoek. Na statistische correctie voor verschillende gemeten achtergrondkenmerken was de relatieve kans op ten minste één symptoom in de eerste groep 1,49 keer zo groot. Dat getal beschrijft een groepsverband en voorspelt niet wat er met één kind zal gebeuren.
Wat zegt het verband niet?
Het onderzoek volgde jongeren in de tijd, maar wees hen niet willekeurig een telefoon toe. Kinderen met en zonder smartphone kunnen ook op andere manieren verschillen. De onderzoekers corrigeerden onder meer voor inkomen, puberteitsfase, stemming en bezit van andere apparaten. Toch kunnen ongemeten factoren, zoals pesten of andere psychische problemen, mede een rol spelen. Ook kan de richting van een verband ingewikkelder zijn dan een telefoon die aan klachten voorafgaat.
De studie registreerde smartphonebezit, niet welke berichten, video’s of sociale media jongeren zagen, hoeveel tijd zij eraan besteedden of met wie zij daarover spraken. Ze kan dus niet aanwijzen welk onderdeel van telefoongebruik eventueel belangrijk is. Omdat alleen symptomen zijn onderzocht, mag het verschil in percentages ook niet worden gelezen als een verschil in aantallen kinderen met een gediagnosticeerde eetstoornis.
Wat betekent dit in Nederland?
De deelnemers woonden in de Verenigde Staten. Nederlandse gezinnen kunnen de onderzoeksvraag herkennen, maar de gevonden percentages zijn niet rechtstreeks Nederlandse cijfers. De Nederlandse overheid geeft al informatie over kansen en risico’s voor kinderen online. Deze nieuwe studie verandert die adviezen of de Nederlandse zorg niet.
Vervolgonderzoek moet uitzoeken of leeftijd bij het krijgen van een telefoon zelf verschil maakt, welke vormen van gebruik samenhangen met klachten en of de bevinding in andere landen terugkomt. Voor persoonlijke zorgen over eetgedrag is een onderzoek naar groepsgemiddelden geen diagnose; bespreek zulke zorgen met een gekwalificeerde zorgverlener. Dit artikel is informatief en geen persoonlijk medisch advies.
Nederlandse context
Wat betekent dit voor Nederland?
Het onderzoek is uitgevoerd onder jongeren in de Verenigde Staten, niet in Nederland. De vraag wanneer kinderen een eigen smartphone krijgen is ook relevant voor Nederlandse gezinnen; deze studie verandert de Nederlandse gezondheidsadviezen niet.
Transparantie
Updates en correcties
Zie je een fout of ontbreekt er context? Bekijk hoe we corrigeren.
